Hoe ging de Nederlandse overheid om met vluchtelingen in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog?

In de loop der eeuwen hebben zich op het Nederlands grondgebied vreemdelingen vanuit alle windstreken gevestigd. Je kunt stellen dat de huidige Nederlandse bevolking is gebaseerd op mondiale ‘roots’. Afhankelijk van de politiek-economische situatie waren migranten, vluchtelingen, asielzoekers en allochtonen, of hoe ze ook genoemd mogen worden, wel of niet van harte welkom. In de jaren dertig van de vorige eeuw bijvoorbeeld stond de Nederlandse overheid bepaald niet te juichen bij het grote aantal vluchtelingen dat via de Duits-Nederlandse grens Nederland binnenkwam.

De machtsovername in Duitsland door Adolf Hitler in 1933 bracht een vluchtelingenstroom naar Nederland op gang. De economische situatie alhier was niet gunstig. De internationale economische crisis na de krach in 1929 bracht Nederland een toenemende werkloosheid. Loonsverlagingen en ontslagen waren aan de orde van de dag. Deze ontwikkelingen en de noodzaak om met Duitsland, als belangrijkste handelspartner, goede betrekkingen te onderhouden waren voor de kabinetten onder leiding van minister-president Colijn de belangrijkste argumenten om toelating van het aantal vluchtelingen vanuit het oosten te beperken. Nederland wilde het Duitse Rijk niet irriteren door de grenzen te openen voor Duitse vluchtelingen.

De overheid zag zich geconfronteerd met twee soorten vluchtelingen: joodse en politieke vluchtelingen. Door hun grote aantal vielen de joodse vluchtelingen onder de sociaal-economische problematiek. Voor politieke vluchtelingen waren regels van politieke aard van toepassing.

Joodse vluchtelingen

Na de machtsovername door Hitler in januari 1933 vluchtte een groot aantal joden naar Nederland. De katholieke minister van Justitie, Van Schaik, bepaalde dat aan deze vluchtelingen geen asiel zou worden verleend, omdat hun positie daarvoor niet ernstig genoeg zou zijn. De Nederlandse regering liet zich voor de beeldvorming over de situatie in Duitsland voornamelijk leiden door informatie die zij kreeg via de diplomatieke dienst. Op aandringen van het Comité voor Bijzondere Joodse Belangen (CBJB) had Nederland in de Assemblee van de Volkenbond voorgesteld een Commissaris voor Vluchtelingen te benoemen. Het doel van de CBJB was op deze wijze de Nederlandse regering onder internationale druk te bewegen tot het toelaten van ‘bonafide vluchtelingen’, dit waren vluchtelingen die geen bedreiging vormden. Oost-Europese joden daarentegen werden door de regering wegens ‘hun vreemde mentaliteit en hun slechte morele instelling’ geweerd.

Situatie niet levensbedreigend

Ten aanzien van het vluchtelingenbeleid bestond er in het begin van 1934 verdeeldheid in de ministerraad. Ze besloot daarom bij de gezant in Berlijn informatie in te winnen over de toestand in Duitsland. Deze was van mening dat de situatie van de joden in Duitsland niet levensbedreigend was, maar dat hun maatschappelijke positie fundamenteel werd aangetast. Hierna besloot de regering tot beperkende maatregelen voor Duitse vluchtelingen. Een wet van 16 mei 1934 bepaalde dat vreemdelingen alleen arbeid konden verrichten in door de overheid aangewezen bedrijfstakken. Nieuw aangekomen Duitse vluchtelingen werden voortaan behandeld als immigranten indien ze aantoonden in eigen onderhoud te kunnen voorzien; ze ontvingen een tijdelijke verblijfsvergunning. Voorts moesten vluchtelingen in het bezit zijn van een visum. Zij die in onmiddellijk levensgevaar verkeerden, zouden worden toegelaten.

In die periode werd er bij de interpretatie van de regelgeving rekening gehouden met wisselende omstandigheden. De regering maakte de maatregelen aan de uitvoerende instanties bekend door middel van circulaires. Door deze handelswijze was het voor de uitvoerende ambtenaren niet altijd duidelijk wat er vanuit Den Haag van hen werd verwacht. Douaniers en politiemensen aan de grens handelden dan ook vaak naar eigen goeddunken.

Selectie aan de grens.

Tussen 1935 en 1938 was het regeringsbeleid gericht op verdere beperking van vluchtelingenopvang. Om dit te bereiken kreeg de grenspolitie duidelijker instructies voor controle aan de grens. Een deel van het korps politietroepen kreeg de opdracht de toegangswegen in het grensgebied te bewaken. In deze periode werden alleen financieel bemiddelde vluchtelingen toegelaten. Een wet van 22 april 1937 stelde vast dat de overheid de oprichting van ondernemingen door buitenlanders mocht beperken of zelfs kon verbieden. Deze wet was met name van toepassing in de arbeidssfeer van joodse vluchtelingen, zoals bedrijven in de confectie, handelsagenturen en commissiehandel.

De toename van Oostenrijkse joodse vluchtelingen door de Duitse inval in Oostenrijk in maart 1938 was voor de Nederlandse regering geen aanleiding het vluchtelingenbeleid te versoepelen. Integendeel, de toelatingseisen werden strenger. Pas door de aanwas van vluchtelingen na de Reichskristallnacht, een op 11 november 1938 door de Duitse staat georganiseerde actie tegen joods bezit, besloot minister van Justitie, Goseling, na protesten uit de Nederlandse samenleving over het vluchtelingenbeleid, de grenzen open te stellen voor 9.000 door de Minister geselecteerde vluchtelingen. Na deze actie werd de grens gesloten. Allen die na 17 december 1938 als vluchteling zouden binnenkomen, liepen de kans naar Duitsland te worden teruggeleid. Er werd een uitzondering gemaakt voor hen die in het land van herkomst in levensgevaar verkeerden.

Op internationaal niveau werd weinig invloed uitgeoefend op het vluchtelingenbeleid van de afzonderlijke landen. Pogingen om vanuit de Volkenbond het vluchtelingenprobleem aan te pakken, mislukten door de geringe bereidheid van de afzonderlijke landen de vluchtelingen uit Duitsland in hun economisch bestel op te nemen.

Politieke vluchtelingen

Aan de hand van de Vreemdelingenwet van 1849 beoordeelde de regering in de jaren dertig  de in Nederland verblijvende politieke vluchtelingen. Deze wet bepaalde dat vluchtelingen die een gevaar vormden voor de veiligheid van de staat, konden worden uitgezet. Het was buitenlanders verboden zich met politieke activiteiten bezig te houden. Zo mochten zij geen kritiek uitoefenen op de Nederlandse politiek, geen bijeenkomsten bezoeken waar Nederlanders het regeringsbeleid bekritiseerden en geen kranten of propagandamateriaal verkopen of distribueren.

Kampen voor communisten

Met name communistische politieke vluchtelingen werden met argusogen bekeken.

Tussen 1933 en 1939 bepaalden politieke partijen  van de christelijk-orthodoxe en liberale stromingen het politieke beleid. Hoewel numeriek klein, zagen deze politieke partijen de communistisch georiënteerde stromingen in Nederland met hun revolutionaire ideeën en hun sturing vanuit Moskou als een bedreiging.

Het was voor ambtenaren niet eenvoudig om vreemdelingen te omschrijven als een politieke vluchteling. Ten eerste was de definitie van dit begrip niet nauwkeurig omschreven; op de tweede plaats was belastend bewijsmateriaal niet direct voorhanden. De Nederlandse autoriteiten waren hiervoor voor een groot deel afhankelijk van Duitse ambtenaren.

Al vanaf de jaren twintig bestonden er contacten met Duitse instanties ten behoeve van vervolging van internationale misdadigers, waaronder communisten ook werden begrepen. Ondanks deze strenge maatregelen was het vanaf 1933 voor politieke vluchtelingen mogelijk een verblijfsvergunning als bezoeker aan te vragen. Dit gold echter niet voor communisten, hen restte een illegaal verblijf in Nederland.

De regering verscherpte haar maatregelen door een besluit van de ministerraad in maart 1934 ‘rode’ elementen uit het land te verwijderen. Er volgden extra controles op sociaal-democratische en communistische Duitse vluchtelingenorganisaties, de politie hield razzia’s en ging over tot arrestaties van politieke vluchtelingen, gevolgd door uitzetting naar het land van herkomst of illegale uitzetting over de grens naar België. Over het aantal politieke vluchtelingen dat door Nederland naar Duitsland is teruggestuurd, bestaan geen exacte gegevens. Op den duur ontstonden met de Belgische regering wrijvingen omtrent de illegale uitzettingen – ook dit land had te kampen met een vluchtelingenprobleem – zodat de Nederlandse regering in het begin van 1935 besloot gearresteerde politieke vluchtelingen tijdelijk in interneringskampen te plaatsen. Het eerste kamp was Fort Honswijk bij Utrecht.

Van verschillende zijden kwamen protesten tegen de oprichting van het interneringskamp. De geïnterneerden in Honswijk gingen in hongerstaking. Een artikel over asielrecht in de Echo van het Noorden van 16 maart 1935 noemde de plannen voor een interneringskamp ‘concentratiekampplannen’. Enige tijd later ging de regering over tot sluiting van het interneringskamp, maar in 1937 besloten de ministers van Justitie en Binnenlandse Zaken de kazernes voor politietroepen te Nieuwersluis, Bergen op Zoom, Breda, Maastricht, Tilburg en Vlissingen aan te wijzen als gedwongen onderdak voor deze vluchtelingen. In 1938 kwam er een kamp op Vlieland. Over het aantal politieke vluchtelingen in Nederland zijn de meningen verdeeld. In het boek Rode Hulp staat dat de communistische hulporganisatie in Nederland, Rode Hulp, in de jaren dertig naar schatting 5000 veelal politieke vluchtelingen heeft opgevangen.

Sophie Molema aan het werk
Foto: Copyright Mario Kuijpers | http://www.mariokuijpers.com/

Wat staat je te wachten wanneer je als Duitse joodse communist in 1933 naar Nederland vlucht en aldaar wordt geconfronteerd met een hierboven beschreven beleid? Dit is door Sophie Molema beschreven in het boek Beroep: gevangene. De lotgevallen van de Duitse jood en communist Werner Stertzenbach in de jaren 1909 tot 1945.

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *