Het Korps Politietroepen in mei 1940

De belangrijkste organen voor het handhaven van de openbare orde in ons land waren tijdens de negentiende eeuw en het begin van de twintigste eeuw de militaire Koninklijke Marechaussee, de burger Rijksveldwacht en de burger Gemeentepolitie. In juni 1919 werd naast de marechaussee een tweede legerpolitiedienst opgericht, het Korps Politietroepen.

Duitse troepen trekken langs een PT-er een grote Nederlandse stad binnen. Waarschijnlijk is deze foto genomen op de Berlagebrug te Amsterdam.
Tekst: Sophie Molema
Foto’s: het Marechausseemuseum te Buren

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog werd in het neutrale Nederland de krijgsmacht gemobiliseerd. Dit betekende voor de Koninklijke Marechaussee extra werkdruk: naast de orde handhaven en grenzen en wegen bewaken, kreeg het ‘t tijdelijke politietoezicht over het gemobiliseerde Nederlandse leger.[1] Ter ondersteuning werden er ‘politie-afdeelingen’ geformeerd, bestaand uit dienstplichtigen. Bij de demobilisatie aan het einde van de Eerste Wereldoorlog was het de bedoeling deze afdelingen op te heffen. Maar toen ook in Nederland socialistische, communistische en revolutionaire woelingen merkbaar werden, besloot de regering in de zomer van 1919 het ‘tijdelijke’ Korps Politietroepen (P.T.) te installeren. Naast de ordehandhaving binnen het leger kreeg dit nieuwe korps een bijstandsfunctie bij ongeregeldheden van burgerlijke aard.[2] Zo verleende het tussen 1932 en 1935 bijstand in Noord-Brabant om zigeuners te weren, en traden ze op bij communistische relletjes. Tijdens een landdag van de NSB waren ze in staat van paraatheid.[3]

In 1935 kreeg het Korps een permanente status als onafhankelijke organisatie naast de Koninklijke Marechaussee.[4]

De vijf oorlogsdagen

Al tijdens de mobilisatie, vanaf augustus 1939, werden de Politietroepen als bewaking ingezet op strategische punten. Zij stonden bij de van ladingen voorziene bruggen, o.a. over IJssel, Maas, Hollandsch Diep, Bergsche Maas, Zuid Willemsvaart, Maas-Waalkanaal, in de Peel en op de Afsluitdijk.[5] Ze waren ingedeeld bij verschillende grote staven en legeronderdelen. In maart 1940 bestond het Korps uit 2100 man.[6]

Het Korps Politietroepen kreeg drie taken: de verdediging van de oostgrens, het handhaven van de openbare orde in gebied waar staat van beleg gold en de legerpolitiedienst (onder meer het tegengaan van desertie).

Na de Duitse inval op 10 mei 1940 werd de ostgrens verdedigd vanuit kazematten, bunkers, loopgraven en schuttersputten. De politietroepen moesten Duitse opmars vertragen, zodat Nederlandse eenheden in het achterland de tijd kregen zich op een confrontatie met de vijand voor te bereiden.

In het zuidoosten trokken de Duitsers al vroeg over de grens, zonder noemenswaardige tegenstand. Ze trokken, ondersteund door de Luftwaffe, al snel op naar overgangen over de Maas en het Julianakanaal. Door uniformen te dragen die leken op die van de Politietroepen, probeerden de Duitsers de rivieren over te komen. Bij de brug te Gennep werden de Politietroepen zo overmeesterd en bleef de brug intact. Bij de Maasbrug van Roermond herkenden de P.T.ers de vermomming en werd een Duitse aanval afgewend: de brug werd op 10 mei om 3.50 uur vernield. Desondanks wisten de Duitsers op andere plaatsen de rivier over te steken, waarbij soms zware gevechten plaatsvonden. Zo sneuvelden bij de spoorbrug te Mook dertien Nederlanders, waaronder zeven P.T. ers.[7]

Bij de verdediging van de IJssellinie in het noordoosten moesten zoveel mogelijk bruggen op worden geblazen. De politietroepen waren onder andere betrokken bij de versperring en later bij de vernieling van de spoorbrug nabij Fort Westervoort. Als reactie hierop volgden zware beschietingen op het fort. Enkele korporaals raakten gewond, en de commandant van een van de getroffen kazematten moest met tien anderen het fort verlaten.[8]

Een paar uur voordat de Duitse legers de gevechtshandelingen in het westen begonnen, reed een handjevol Brandenburgers op Hollandse fietsen en in Hollandse uniformen, via sluipwegen over de grens om een belangrijke brug in te nemen. Deze dramatische opname is een paar minuten voor de overval gemaakt. Op de voorgrond de Duitse officier die het commando voerde.

De overgangen over het Hollandsch Diep bij Moerdijk en de Bergsche Maas bij Keizersveer waren essentieel om de Vesting Holland vanuit het zuiden binnen te kunnen dringen. Hierbij zetten de Duitsers ook parachutisten in. Al snel hadden de Duitsers beide zijden van de brug over het Hollandsch Diep bereikt. Een detachement politietroepen bevond zich in een bunker aan de noordzijde van de Moerdijkbrug. Onwetend van de overgave van andere Nederlandse verdedigers van de brug, bleven de P.T.’ers vanuit de bunker de Duitsers met geschut en mitrailleurvuur bestoken. Na een korte, felle strijd bleek de Duitse overmacht te groot en moest de commandant tot overgave besluiten.

De commandant van een detachement P.T.‘ers dat was gestationeerd bij de brug in Keizersveer, moest na de aanval op de Moerdijkbrug deze overgang intact houden voor terugtrekkende Nederlandse militairen. Op 12 mei trokken grote groepen Nederlanders over de brug, overvallen door paniek, gevoed door allerlei geruchten. Vluchtende militairen werden tegengehouden en tot de orde geroepen. Op 13 mei werd de brug alsnog opgeblazen, maar toen was de vijand al via de Moerdijkbruggen het hart van Nederland binnengedrongen.[9]

Drie leden van de Politietroepen bij een te bewaken gebouw in de tijd voor de Tweede Wereldoorlog

In Holland was de angst voor de Duitse invallers groot. Er waren geruchten over Duitsers die waren verkleed als nonnen of Politietroepen. Dat leidde soms tot paniekreacties zoals het schieten op eigen mensen.

Uit een dagboek van de commandant van de 6e compagnie Politietroepen, gestationeerd te Amsterdam, blijkt dat het voor deze compagnie niet gemakkelijk was de orde in Amsterdam te handhaven en juiste van onjuiste berichten te onderscheiden. Gedurende de oorlogsdagen kwamen er berichten binnen van gedaalde parachutisten, bezetting van treinstations in Amsterdam door de Duitsers, vuurcontact achter het Centraal Station en het vuren met een mitrailleur vanaf het dak van De Bijenkorf. De verwarring en nervositeit onder burgers en andere instanties namen in de loop der dagen toe. De politietroepen rukten uit bij elke melding, maar het was allemaal loos alarm. Wel was de commandant te spreken over de goede moraal van de compagnie.[10]

Een laatste taak van de Politietroepen, waar tot nu toe weinig ruchtbaarheid aan is gegeven, is de bewaking van politieke gevangenen. het gaat met name om communistische Duitsers die vóór de Tweede Wereldoorlog in opleidingskamp Nieuwersluis werden ondergebracht. In het boek Beroep: gevangene (Uitgeverij De Duivelsberg) wordt beschreven hoe deze politieke gevangenen werden behandeld en wat er met hen gebeurde na het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog.

[1] Website Historisch Museum der Koninklijke Marechaussee, artikel ‘Geschiedenis der Koninklijke Marechaussee.’
[2] J.P.E.G. Smeets, De politietroepen 1919-1940, proefschrift (1997) 4-5.
[3] Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Defensie: Commandant van het Korps Politietroepen, 1918-1941, nummer toegang 2.13.92, inventarisnummer 4.
[4] J.P.E.G. Smeets, De politietroepen 1919-1940, 4-5.
[5] J.J.C.P. Wilson, Vijf oorlogsdagen en hun twintigjarige voorgeschiedenis (Baarn 1960) 41.
[6] Gooi en Eemlander, 21-03-1940. Bron: K.B. C85.
[7] J.P.E.G. Smeets, De Politietroepen 1919-1940, 121-127.
[8] J.P.E.G. Smeets, De Politietroepen 1919-1940, 128.
[9] J.P.E.G. Smeets, De Politietroepen 1919-1940, 192-132.
[10]  Nationaal Archief, Den Haag, Ministerie van Defensie: Commandant van het Korps Politietroepen, 1918-1941, nummer toegang 2.13.92, inventarisnummer 20.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *